Kinderalimentatie en woonlasten

Anders dan bij partneralimentatie wordt bij de berekening van kinderalimentatie rekening gehouden met een forfaitaire woonlast. Dit forfait bedraagt 30% van het netto besteedbaar inkomen.

Moet er altijd worden gerekend met dit forfaitaire bedrag of kan er ook rekening worden gehouden met de werkelijke woonlasten?

In de jurisprudentie is dit vaste bedrag diverse malen aan de orde gekomen.

De enkele omstandigheid dat de feitelijke woonlasten verschillen van het forfaitaire bedrag zijn onvoldoende reden om af te wijken van de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatienormen.  [1] Van de forfaitaire bedragen wordt slechts in uitzonderlijke gevallen afgeweken, nu aan het rekenen met forfaitaire bedragen inherent is dat deze bedragen in positieve zin of negatieve zin kunnen afwijken van de werkelijke bedragen.[2] Het hof houdt rekening met de aanzienlijk lagere werkelijke woonlasten dan de forfaitaire woonlasten.

Een forfaitair rekensysteem kan niet worden gehanteerd indien (i) de werkelijke lasten van de alimentatieplichtige aanmerkelijk lager zijn en (ii) uitsluitend als gevolg van deze rekenmethode niet meer in de (volledige) behoefte van het kind of de kinderen kan worden voorzien.[3]

Het is niet bij voorbaat in strijd met de wet als de alimentatierechter bij de vaststelling van kinderalimentatie redelijk te achten, forfaitaire woonlasten hanteert, ook niet voor zover die forfaitaire woonlasten de actuele, werkelijke woonlasten van de onderhoudsplichtige overstijgen.[4]

HR 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:586

Op zichzelf is het hanteren van een forfaitaire woonlast niet in strijd met de wettelijke maatstaven. Het dient bovendien de voorspelbaarheid en rechtszekerheid en voorkomt dat elke verandering van de woonsituatie aanleiding geeft tot een verzoek tot wijziging van de alimentatie. De rechter zal echter, indien met de aldus berekende draagkracht niet (geheel) in de behoefte van het kind of de kinderen kan worden voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van de betrokken ouder duurzaam aanmerkelijk lager zijn dan het bedrag dat volgt uit de toepassing van het forfait, steeds dienen na te gaan of de draagkracht van die ouder, berekend met inachtneming van de werkelijke woonlasten, zou leiden tot een hogere onderhoudsbijdrage. Als dit het geval is, dient de rechter ofwel deze hogere bijdrage op te leggen, ofwel te motiveren waarom hij daartoe, gelet op de verdere omstandigheden van het geval, geen aanleiding ziet.

Conclusie:

Er wordt terughoudend omgegaan met het afwijken van het forfaitaire systeem. Afwijking is wel mogelijk wanneer a) niet geheel in de behoefte van de kinderen kan worden voorzien en b) de werkelijke woonkosten duurzaam lager zijn dan de forfaitaire woonkosten.

Dit betekent dat afwijking ook mogelijk moet zijn wanneer de alimentatiegerechtigde lagere werkelijke woonlasten heeft en de behoefte van de kinderen niet met de totale draagkracht wordt gedekt.

Het is dus belangrijk ook bij kinderalimentatie te kijken naar de daadwerkelijke woonlasten wanneer er een tekort aan draagkracht is.

[1] Hof Arnhem-Leeuwarden 16 april 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:3107

[2] Hof Den Haag 20 juni 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:2310

[3] Hof Den Haag 15 juni 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:1736

[4] Conclusie A-G 24 oktober 2014, ECLI:NL:PHR:2014:1908

Scroll to top