Bel ons nu!

Erfrecht

Het erfrecht is het geheel van regels over de vermogensrechtelijke gevolgen van het overlijden van een persoon.

Kort gezegd regelt het erfrecht wat er gebeurt met het vermogen van de overledene (de erflater). 

Iemand kan dit zelf geregeld hebben in een uiterste wil (testament), maar als dit niet is gebeurd regelt de wet dit.

Bij het overlijden van een dierbaar familielid komt er naast het afscheid veel op u af. Zo zal de nalatenschap afgewikkeld moeten worden.

U kunt hierbij betrokken worden als erfgenaam of legitimaris, als executeur, (afwikkelings-)bewindvoerder of omdat u een legaat ontvangt.

Het erfrecht is complex en er gelden wettelijk vaak korte termijnen om uw rechten veilig te stellen.

Hoewel er na een overlijden veel op u afkomt, is het daarom belangrijk dat u zich ook zo spoedig mogelijk laat informeren over uw rechten en verplichtingen.

Voor informatie kunt u contact met mij opnemen.

Veelgestelde vragen

Erfopvolging bij versterf

Erfopvolging bij versterf

Erfopvolging vindt plaats bij versterf of krachtens een uiterste wilsbeschikking (testament). De uitdrukking ‘bij versterf’ houdt in dat de erfopvolging volgens de wet plaatsvindt en niet krachtens een uiterste wilsbeschikking.

In de wet is bepaald wie er erft wanneer de overledene (erflater) geen uiterste wilsbeschikking heeft laten opmaken bij de notaris.

De wet kent vier parentelen die achtereenvolgens tot de nalatenschap van de erflater worden geroepen, nl.:

  1. De niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot en de kinderen van erflater;
  2. De ouders, broers en zussen;
  3. De grootouders;
  4. De overgrootouders.

Wanneer in de eerste groep geen erfgenaam wordt aangetroffen, wordt verder gekeken in de volgende groep. Om te erven moet je op het moment van het openvallen van de nalatenschap (het overlijden) namelijk bestaan.

Een ongeboren kind wordt als erfgenaam aangemerkt als het levend ter wereld komt.

Iemand erft ‘uit eigen hoofde’ wanneer de erfgenaam erft op grond van de plaats die hij zelf inneemt. Bij ‘plaatsvervulling’ wordt geërfd wanneer hij de plaats inneemt van een ander. Dit gebeurt op grond van de wet voor personen die op het moment van het openvallen van de nalatenschap a. niet meer bestaan, b. onwaardig zijn, c. onterfd zijn, verwerpen of e. wier erfrecht is vervallen.

Deze plaatsvervulling geldt alleen in versterferfrecht en niet wanneer er een uiterste wil is. De wet kent daarop één uitzondering voor afstammelingen van stiefkinderen die in de wettelijke verdeling zijn betrokken. In de praktijk worden de wettelijke regels over plaatsvervulling van overeenkomstige toepassing verklaard in uiterste wilsbeschikkingen.

De erfdelen

De erfdelen

Degenen die ‘uit eigen hoofde’ (zie ‘ Erfopvolging bij versterf’) tot een nalatenschap worden geroepen, erven voor gelijke delen. Wanneer bij plaatsvervulling staaksgewijs wordt geërfd dan krijgen de plaatsvervullers binnen 1 staak een gelijk deel. 

Een voorbeeld ter verduidelijking:

Vader A overlijdt. De erfgenamen zijn moeder B en 3 kinderen, C,D en E, waarvan D is vooroverleden. In dit voorbeeld zijn er dus 4 erfgenamen. Ieder krijgt dan ¼ deel. Het erfdeel per erfgenaam is dan in breuken: ¼.

Echter D bestaat niet meer op het moment van openvallen van de nalatenschap en daarom vindt plaatsvervulling plaats. De 2 kinderen van D leven nog, F en G. Dat zijn de kleinkinderen van vader A. Deze kleinkinderen erven in plaats van hun vader D.

D zou ¼ krijgen maar dat gaat nu naar zijn 2 kinderen.
F en G krijgen ieder 1/8 deel van de erfenis (namelijk: 1/4 gedeeld door 2 =1/8).

Ook voor ouders geldt er een bijzonderheid. Zij erven in dezelfde groep als broers en zussen, maar het erfdeel van ouders bedraagt volgens de wet tenminste 25% (art. 4:11 lid 3 BW). Wanneer het erfdeel van de ouders bij gelijke verdeling lager zou worden, wordt dit gecorrigeerd.

Voor halfbroers- en zussen geldt dat zij de helft erven van wat volle broers of zussen erven (art. 4:11 lid 2 BW).

 

Een voorbeeld ter verduidelijking:

A. overlijdt zonder achterlating van echtgenoot of afstammelingen. Beide ouders B en C zijn nog in leven en hij heeft twee broers D en E en een halfzus F en halfbroer G (uit een eerder huwelijk van zijn vader). De nalatenschap bedraagt 90.000.

De ouders B en C en de broers D en E ontvangen tweemaal zoveel als de halfzus F en halfbroer G. B, C en D ontvangen rekenkundig daarom 2X en F en G 1X.

Totaal is er 10X. 90.000 : 10 = 9.000. X = 9.000

De ouders B en C en broers D + E ontvangen daarom ieder 18.000 en F en G ieder 9.000.

Daarop moet nog een correctie worden gemaakt. Op grond van 4:11 lid 3 BW erven de ouders ieder tenminste 25% en moeten de overige erfgenamen naar evenredigheid inleveren.

De ouders dienen 25% van 90.000 te ontvangen. Dit is 22.500. Zij zouden nu slechts 18.000 ontvangen. Het tekort is 2 x 4.500 = 9.000.

Er moet worden ingeleverd door D, E, F en G naar evenredigheid. Het bedrag dat moet worden ingeleverd is het tekort gedeeld door het aantal erfdelen exclusief de ouders. D + E ontvangen 2X en F en G ieder 1X, derhalve 6X. X = 9.000 : 6 = 1.500

D en E leveren ieder 3.000 in en F en G ieder 1.500.  

D en E ontvangen 15.000 en F en G ieder 7.500.

Wettelijke verdeling

De wettelijke verdeling

Het erfrecht vormt het geheel van regels over de vermogensrechtelijke gevolgen van het overlijden van een persoon. Kort gezegd regelt het erfrecht wat er gebeurt met het vermogen van de overledene (de erflater).

Iemand kan dit zelf geregeld hebben in een uiterste wil (testament), maar als dit niet is gebeurd regelt de wet dit.

Bij het overlijden van een dierbaar familielid komt er naast het afscheid veel op u af. Zo zal de nalatenschap afgewikkeld moeten worden. U kunt hierbij betrokken worden als erfgenaam of legitimaris, als executeur, (afwikkelings-)bewindvoerder of omdat u een legaat ontvangt.

Het erfrecht is complex en er gelden wettelijk vaak korte termijnen om uw rechten veilig te stellen.

Hoewel er na een overlijden veel op u afkomt, is het daarom belangrijk dat u zich ook zo spoedig mogelijk laat informeren over uw rechten en verplichtingen.

Wilsrechten

Wilsrechten kinderen

Wanneer één van de ouders is overleden gaat bij de wettelijke verdeling de nalatenschap over op de langstlevende. De kinderen ontvangen op dat moment dus nog niets.

Wanneer de langstlevende ouder opnieuw wil gaan trouwen, ontstaat er voor de kinderen ‘stieffamiliegevaar’. Als de langstlevende ouder opnieuw wil trouwen, kan dit een probleem zijn voor de kinderen uit het eerste huwelijk. Wanneer de ouder zou overlijden is de stiefouder de langstlevende. Deze heeft dan de vordering van de kinderen op hun ouder vanwege de nalatenschap van hun eerst overleden ouder.

De wet heeft de kinderen daarom een aantal mogelijkheden gegeven om eerder wilsrechten uit de oefenen (4:19-4:22 BW).  Een kind dat gebruik maakt van zijn wilsrecht krijgt een recht op overdracht van goederen met een waarde van ten hoogste de geldvordering vermeerderd met de rente.

Een wilsrecht kan in vier verschillende situaties worden uitgeoefend

1. De langstlevende ouder doet aangifte van zijn voornemen opnieuw in het huwelijk te treden (4:19 BW);

2. De hertrouwde langstlevende ouder overlijdt en de vordering in de nalatenschap van de eerstgestorven ouder wordt opeisbaar (4:20 BW);

3. De ouder overlijdt en het kind krijgt een niet-opeisbare vordering op zijn stiefouder (4:21 BW)

4. De stiefouder overlijdt en de vordering in de nalatenschap van de ouder wordt opeisbaar (4:22 BW).

De wilsrechten onder 1 en 3 kunnen ook worden uitgeoefend ten aanzien van een niet opeisbare vordering (van het kind vanwege de wettelijke verdeling). Daarom vindt overdracht van goederen plaats onder voorbehoud van vruchtgebruik, tenzij daar afstand van wordt gedaan.

Het wilsrecht blijft bestaan, zolang er geen afstand van is gedaan door het kind dat het wilsrecht heeft. Omdat hierdoor voor de stiefouder een onzekere situatie ontstaat, kan de stiefouder het kind een termijn stellen, waarbinnen het kind moet verklaren of hij van het wilsrecht gebruik maakt.

De langstlevende kan anticiperen op de uitoefening van de wilsrechten door de vordering van de kinderen alvast te voldoen. Als de vordering al is betaald, dan ontstaat er geen wilsrecht. Andersom vervalt dit wilsrecht niet als de langstlevende ouder nog snel betaald. Als een wilsrecht eenmaal is ontstaan, dan blijft dit bestaan.

Wilsrechten kunnen alleen worden uitgeoefend op goederen die hebben behoord tot de nalatenschap van de overledene, of op goederen die hebben behoord tot een gemeenschap van goederen, waarin de overledene was gehuwd.

Ook goederen die daarvoor in de plaats gekomen zijn, vallen onder deze categorie. Daarmee wil de wetgever voorkomen dat nog snel een goed wordt vervreemd door de stiefouder, zodat daarop geen wilsrecht meer kan worden uitgeoefend.

Wilsrechten inroepen

Aan het inroepen van wilsrechten is geen termijn gebonden, behalve wanneer deze worden ingeroepen ten behoeve van een minderjarige. De wettelijk vertegenwoordiger van een minderjarige (meestal de langstlevende ouder) dient binnen drie maanden na het verkrijgen van de bevoegdheid om de wilsrechten uit te oefenen aan de kantonrechter berichten of hiervan gebruik wordt gemaakt.

In de overige gevallen geldt geen termijn. Wel kan degene die tot overdracht verplicht kan worden aan de kinderen een redelijke termijn stellen waarbinnen het verzoek moet worden gedaan.

Voor meer informatie kunt u contact met mij opnemen.