In het strafrecht is inmiddels vaste rechtspraak ontwikkeld over de vraag wanneer sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. De Hoge Raad hanteert duidelijke uitgangspunten voor de maximale duur van procedures in eerste aanleg en hoger beroep. Wordt die termijn overschreden, dan kan dat leiden tot strafvermindering.
In het familierecht ontbreekt een dergelijk kader.
Dat is opmerkelijk. Juist in familierechtelijke procedures staan fundamentele belangen op het spel: wonen, financiële draagkracht, gezag en zorg voor kinderen. Toch komt het in de praktijk steeds vaker voor dat bodemprocedures meer dan anderhalf tot twee jaar op een eerste inhoudelijke behandeling wachten — terwijl voorlopige voorzieningen in de tussentijd onverkort doorwerken.
De vraag dringt zich op of die praktijk zich nog verdraagt met de eisen van artikel 6 EVRM.
Redelijke termijn en familiezaken: verhoogde eisen
Artikel 6 lid 1 EVRM waarborgt het recht op behandeling van een zaak binnen een redelijke termijn bij de vaststelling van burgerlijke rechten en verplichtingen. Dat artikel is onverkort van toepassing op civiele procedures, waaronder familierechtelijke geschillen.¹
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft bovendien benadrukt dat in zaken die het familie- en gezinsleven raken van nationale autoriteiten een bijzondere mate van voortvarendheid mag worden verwacht. In Sylvester v. Oostenrijk overwoog het Hof:
“In cases concerning a person’s relationship with his or her child, there is a duty to exercise exceptional diligence.”²
Juist in familiezaken werkt tijd zelden neutraal. De feitelijke situatie die ontstaat tijdens een procedure — bijvoorbeeld ten aanzien van de woning of de zorg voor kinderen — kan zich gaandeweg bestendigen.
Voorlopige maatregelen en artikel 6 EVRM
Daar komt bij dat voorlopige maatregelen in civiele procedures niet buiten het bereik van artikel 6 EVRM vallen wanneer zij feitelijk beslissend zijn voor de rechtspositie van partijen.
In Micallef v. Malta overwoog het Hof dat een interim measure:
“may be tantamount to a decision on the merits … for a substantial period of time”³
en dat:
“whenever an interim measure can be considered effectively to determine the civil right or obligation at stake, Article 6 will be applicable.”⁴
Wanneer een voorlopige maatregel in de praktijk langdurig de rechtspositie van partijen bepaalt, gelden dus ook voor de duur van die situatie de waarborgen van artikel 6 EVRM.
Capaciteitsgebrek is geen rechtvaardiging
Van bijzonder belang is dat het Europees Hof herhaaldelijk heeft geoordeeld dat structurele problemen binnen de rechterlijke organisatie, zoals capaciteitsgebrek of achterstanden, geen rechtvaardiging vormen voor overschrijding van de redelijke termijn.
Reeds in Zimmermann and Steiner v. Switzerland overwoog het Hof:
“the Convention places a duty on the Contracting States to organise their legal systems so as to allow the courts to comply with the requirements of Article 6 §1 including that of trial within a reasonable time.”⁵
Structurele achterstanden komen daarmee voor rekening van de Staat. Dat uitgangspunt is nadien bevestigd in onder meer Kudła v. Poland⁶ en Pizzati v. Italy.⁷
Met andere woorden: een structureel tekort aan rechters of zittingscapaciteit mag niet worden afgewenteld op procespartijen.
Planning, roostering en procesregie
Ook de Nederlandse Rechtspraak erkent dat de problematiek rond doorlooptijden niet uitsluitend samenhangt met personele capaciteit, maar in belangrijke mate met planning en procesregie. In het kader van het programma “Tijdige rechtspraak” zijn sinds 2019 onder meer als doelstellingen geformuleerd dat doorlooptijden structureel moeten worden verbeterd en dat rechtzoekenden moeten weten waar zij aan toe zijn doordat de stappen in de procedure en de duur van de behandeling voorspelbaar zijn.⁸
Daartoe is onder meer ingezet op effectiever roosteren en plannen en het gebruik van managementinformatie om de voortgang van zaken te monitoren. In toelichting op dit programma wordt expliciet gewezen op de noodzaak van professionalisering van het rooster- en planningsproces binnen de gerechten, een logistieke opgave waarvoor specifieke kennis en sturingsinformatie nodig is.⁹
Uit recente jaarplannen blijkt evenwel dat deze initiatieven nog niet volledig zijn afgerond en dat nog geen sprake is van acceptabele werkvoorraden of een voorspelbaar proces.¹⁰ Daarmee wordt onderkend dat de problematiek mede is gelegen in de organisatorische en logistieke inrichting van de rechtspraak.
In de praktijk ervaren rechtzoekenden in het familierecht echter nog altijd dat zij niet weten waar zij aan toe zijn. Zo komt het voor dat zaken gedurende langere tijd op planning blijven staan zonder dat duidelijk is wanneer een inhoudelijke behandeling zal plaatsvinden of welke processtap volgt. In een recente zaak in mijn praktijk is sinds 2024 herhaaldelijk verzocht om een zitting. Pas na herhaald telefonisch contact werd meegedeeld dat de zaak naar verwachting in het derde kwartaal van 2026 zal worden gepland. Gedurende die periode blijven voorlopige voorzieningen onverkort gelden, terwijl het niet ondenkbaar is dat bij de eerste inhoudelijke behandeling alsnog wordt geoordeeld dat een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming noodzakelijk is, waarna de zaak opnieuw voor langere tijd wordt aangehouden.
Tijd voor duidelijke termijnen?
Waar in het strafrecht vaste uitgangspunten zijn ontwikkeld voor de beoordeling van de redelijke termijn, ontbreekt in het familierecht een vergelijkbaar kader — terwijl de gevolgen van vertraging daar minstens zo ingrijpend kunnen zijn.
Tegen die achtergrond verdient het overweging om ook in het familierecht heldere normen te formuleren voor de behandelingstermijn van bodemprocedures. In het verlengde daarvan zou kunnen worden bezien of de beslistermijn op voorlopige voorzieningen — waaronder verzoeken op grond van artikel 223 Rv — niet in lijn moet worden gebracht met de praktijk in kort geding, waar doorgaans binnen twee weken uitspraak wordt gedaan.
Juist waar tijdelijke maatregelen diep ingrijpen in de rechtspositie van partijen, is voortvarende besluitvorming een noodzakelijke voorwaarde voor effectieve rechtsbescherming.
Voetnoten
-
EHRM 27 juni 1978, König v. Germany, appl.nr. 6232/73
-
EHRM 24 april 2003, Sylvester v. Austria, appl.nrs. 36812/97 en 40104/98
-
EHRM (GC) 15 oktober 2009, Micallef v. Malta, appl.nr. 17056/06, §79
-
EHRM (GC) 15 oktober 2009, Micallef v. Malta, appl.nr. 17056/06, §85
-
EHRM 13 juli 1983, Zimmermann and Steiner v. Switzerland, appl.nr. 8737/79, §29
-
EHRM (GC) 26 oktober 2000, Kudła v. Poland, appl.nr. 30210/96
-
EHRM (GC) 29 maart 2006, Pizzati v. Italy, appl.nr. 62361/00
-
Raad voor de rechtspraak, Tijdige rechtspraak, rechtspraak.nl
-
Raad voor de rechtspraak, toelichting professionalisering rooster- en planningsproces, in: Programma Tijdige rechtspraak
-
Raad voor de rechtspraak, Jaarplan Rechtspraak 2025
