Over J.S. v. Slovakia (EHRM, 22 januari 2026)
De uitspraak J.S. v. Slovakia gaat over de bewijswaardering van huiselijk geweld. Centraal staat de vraag hoe nationale rechters moeten omgaan met geweld dat zich over langere tijd afspeelt, waarin fysiek en psychisch geweld door elkaar lopen en waarin angst, controle en afhankelijkheid een structureel karakter hebben. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens maakt in deze zaak duidelijk dat een louter incidentgerichte benadering tekortschiet en dat het kwalificeren van geweld als “wederkerig” geen neutrale juridische vaststelling is.
De zaak betrof een vrouw die gedurende meerdere jaren slachtoffer was van ernstig huiselijk geweld door haar echtgenoot. Dat geweld bestond uit fysieke mishandeling, maar ook uit structurele psychische ondermijning: bedreigingen, vernedering, controle en dwang. Deskundigen stelden posttraumatische stress en battered woman syndrome vast. De kinderen waren getuige van het geweld en ontwikkelden zelf klachten. De man was eerder strafrechtelijk veroordeeld voor een gewelddadig incident jegens de vrouw.
Desondanks volgde na jaren procederen vrijspraak. Meermalen. De nationale rechter erkende dat er geweld had plaatsgevonden, maar kwalificeerde dat geweld als wederkerig en concludeerde dat daarmee niet bewezen was dat sprake was van strafbaar huiselijk geweld.
Het Hof plaatst deze redenering in een breder juridisch kader. Huiselijk geweld valt onder artikel 3 EVRM wanneer het de menselijke waardigheid aantast en gevoelens van angst en vernedering oproept. Dat geweld beperkt zich niet tot lichamelijk letsel. Het Hof benadrukt expliciet dat ook psychische vormen van geweld daaronder vallen:
“Domestic violence is not regarded as being limited to the sole fact of physical violence but is considered to include, among other aspects, psychological violence and stalking, threats and fear of further assaults.” (§ 38)
De bewijsdrempel ligt daarbij niet bij medische documentatie. Angst en psychische ontwrichting kunnen op zichzelf reeds relevant zijn. Het Hof wijst erop dat zelfs één geweldshandeling voldoende kan zijn om artikel 3 te raken, juist vanwege de impact op de weerbaarheid van het slachtoffer:
“Even a single blow may arouse feelings of fear and anguish in the victim and seek to break his or her moral and physical resistance.” (§ 44)
In deze zaak acht het Hof aannemelijk dat de vrouw langdurig in angst heeft geleefd. Die angst was niet abstract of hypothetisch, maar werd uiteindelijk bevestigd door een bewezen geweldsincident:
“The Court does not see any reason to doubt that the applicant feared assaults from T. and cannot ignore that her fears ultimately materialised in the incident of 5 July 2014.” (§ 46)
Daarmee was sprake van een zogeheten arguable claim. Dat brengt voor de staat de verplichting mee om die klacht effectief te onderzoeken en zorgvuldig te beoordelen.
Volgens het Hof is die verplichting in deze zaak niet nagekomen. Hoewel het dossier omvangrijk was en verklaringen bevatte van de vrouw, de kinderen, familieleden, derden en deskundigen, heeft de nationale rechter een groot deel van dat bewijs terzijde geschoven zonder toereikende motivering. Het Hof merkt daarover op:
“This finding appears to be in stark contrast to the abundant evidence supporting the charges against T., which the courts disregarded without any explanation of their reasons for so doing.” (§ 55)
Ook de omgang met deskundigenbewijs schiet tekort. Een psychologisch deskundige stelde battered woman syndrome vast en koppelde dat aan langdurige blootstelling aan geweld. De rechter trok deze conclusie in twijfel omdat de vrouw al vóór de geweldsperiode psychische klachten had. Het Hof kwalificeert die redenering als willekeurig:
“The trial court held – rather arbitrarily, in the Court’s view – that the fact that the applicant had been consulting a psychiatrist as of 2010 had cast doubt on the expert’s statement…” (§ 56)
De kern van de uitspraak ligt echter bij de kwalificatie van het geweld als “wederkerig”. Door te erkennen dat er geweld was, maar dit vanwege vermeende wederkerigheid buiten het strafrecht te plaatsen, heeft de nationale rechter volgens het Hof miskend wat huiselijk geweld juridisch kenmerkt. Het Hof is daar expliciet over:
“While accepting that there had been violence, the court relied on its alleged reciprocity to exclude its criminal character, thereby demonstrating the lack of a gender-sensitive approach in the present case.” (§ 57)
Die benadering miskent de machtsverhoudingen en dynamiek die bij huiselijk geweld een rol spelen. Bovendien keek de nationale rechter naar afzonderlijke gebeurtenissen, zonder deze in samenhang te beoordelen. Ook dat acht het Hof problematisch:
“Failure to address interrelated incidents that fall under the same pattern of aggressive behaviour amounts to a disregard of the obligation to submit those cases to the careful scrutiny required.” (§ 59)
Ten slotte speelt de duur van de procedure een zelfstandige rol. De strafzaak duurde meer dan zeven jaar en kende drie vrijspraken. Dat leidde ertoe dat de vrouw het geweld telkens opnieuw moest doorleven:
“She had to relive the painful events a number of times during three retrials, which must have caused her unnecessary suffering and frustration.” (§ 62)
Het Hof concludeert dat deze combinatie van factoren – contextloze bewijswaardering, gebrek aan gender-sensitieve analyse en excessieve duur – maakt dat de staat zijn procedurele verplichtingen onder artikel 3 EVRM heeft geschonden:
“The serious shortcomings described above […] disclosed a failure on their part to discharge their positive obligations under Article 3 of the Convention.” (§ 63)
Deze uitspraak bevestigt dat huiselijk geweld juridisch niet kan worden gereduceerd tot losse incidenten of symmetrische conflicten. Bewijs vraagt om een contextuele beoordeling, met oog voor patroon, afhankelijkheid en machtsverhoudingen. Wie geweld afdoet als wederkerig, loopt het risico precies dát uit beeld te laten verdwijnen wat artikel 3 EVRM beoogt te beschermen.
https://hudoc.echr.coe.int/eng/?i=001-247914
