Bel ons nu!

De vaststelling van het ouderschap kan, ook als diegene is overleden, worden verzocht aan de rechtbank op de grond dat de persoon de verwekker is van het kind of als levensgezel van de moeder heeft ingestemd met de daad van verwekking.

Deze vaststelling kan plaatsvinden op verzoek van de moeder (totdat het kind 16 jaar is) en op verzoek van het kind zelf.

De wet stelt echter ook beperkingen aan het verzoek tot vaststelling van het vaderschap. Een dergelijke beperking is bv. als het kind al  twee ouders heeft. 

Het vaderschap kan op de grond dat de man niet de biologische vader is worden ontkend door de moeder, de vader en het kind zelf.

Niet in alle gevallen kunnen de vader of moeder het vaderschap ontkennen. De wet beperkt deze mogelijkheden. Voor de moeder geldt een termijn van een jaar na de geboorte, voor de vader een jaar na de ontdekking dat hij ermee bekend werd dat hij waarschijnlijk de vader niet is. Voor het kind geldt een termijn van drie jaar na de ontdekking dat de vader vermoedelijk niet de biologische vader is. Als deze ontdekking tijdens de minderjarigheid wordt gedaan, geldt een termijn van drie jaar na het meerderjarig worden van het kind. Het verzoek dit altijd aan de rechtbank te worden gedaan.