Bel ons nu!

Ophouden voor onderzoek

Het ophouden voor onderzoek gebeurt op bevel van de Hulpofficier van Justitie, nadat de verdachte na diens aanhouding is voorgeleid (61 Sv). Op 1 maart 2017 zijn een aantal wijzigingen in het Wetboek van Strafvordering van kracht geworden.
Een van deze wijzigingen is dat regeling omtrent de aanhouding is de termijn voor het ophouden voor onderzoek verlengd van 6 uur naar 9 uur.
Dit geldt alleen voor zaken waarin inverzekeringstelling mogelijk is. Voor andere zaken blijft termijn 6 uur. Vanwege deze verlenging wordt ook de termijn waarbinnen de verdachte moet worden voorgeleid aan de rechter-commissaris verlengd naar 3 dagen en 18 uur. De verdachte mag nu in beginsel voor maximaal negen uur worden opgehouden, dus vastgehouden in een ophoudkamer of cel, terwijl de opsporingsambtenaren onderzoek verrichten. Het tijdstip waarop deze negen uurs termijn ingaat, ligt kort na de voorgeleiding. Het tijdstip van ophouden voor onderzoek wordt door de Hulpofficier van Justitie bepaald en opgenomen in het proces-verbaal van aanhouding. 

Vervoer tijdens termijn ophouden voor onderzoek

Een verdachte kan op bevel van de Officier van Justitie gesignaleerd worden voor aanhouding buiten heterdaad. Hierbij komt het regelmatig voor dat de verdachte wordt aangehouden op een plaats, die zich op een flinke afstand bevindt van de locatie waarvandaan het onderzoek wordt uitgevoerd.

De tijd die het transport vergt, telt dan niet mee in de termijn van het ophouden voor onderzoek. Wel moet hiervan een aantekening worden gemaakt in een proces-verbaal. 

Intoxicatie

Het kan zijn dat de aangehouden verdachte zodanig onder invloed is van alcohol of verdovende middelen, dat hij eerst moet ontnuchteren. Voorheen begon de negen uurs termijn pas te lopen, wanneer de verdachte was ontnuchterd. Dit is niet meer van toepassing, de negen uurs termijn begint te lopen wanneer de Hulpofficier van Justitie de opdracht voor het ophouden voor onderzoek geeft.

Vanaf 1 januari 2017 mag de politie geweldplegers testen op alcohol en drugs. Dit staat in de nieuwe Wet middelenonderzoek bij geweldplegers. Heeft de geweldpleger alcohol of drugs gebruikt? Dan kan het Openbaar Ministerie een zwaardere straf eisen.

 Die straf kan een hogere boete of langere taak- of celstraf zijn. Maar het Openbaar Ministerie kan ook een voorwaardelijke straf eisen. Voorbeelden van zo’n voorwaardelijke straf zijn:

 Een alcoholverbod.

Een locatieverbod.

Een locatiegebod.

Een training (gedragsinterventie).

 Door de nieuwe wet mag de politie alle verdachten van een geweldsmisdrijf testen op alcohol en drugs. Maar dat mag alleen als er aanwijzingen zijn dat het geweld onder invloed van alcohol of drugs is gepleegd.

 Uitvoering test op alcohol en drugs

 Heeft de politie een aanwijzing dat de verdachte onder invloed was van alcohol of drugs? Dan doet zij eerst een blaastest op alcohol of een speekseltest op drugs. De politie mag ook onderzoeken of de uiterlijke kenmerken van de verdachte wijzen op alcohol- of drugsgebruik.

 Wijst de test of het onderzoek op alcohol- of drugsgebruik? Dan stelt de politie een vervolgonderzoek in en neemt zij de uitslag op in het proces verbaal.

 Het vervolgonderzoek bestaat bij alcohol uit een ademanalyse of in sommige gevallen een bloedonderzoek. Bij drugs, ook in combinatie met alcohol, gaat het altijd om een bloedonderzoek.

 Onderzoeksbelang

Ophouden voor onderzoek vindt alleen plaats wanneer dit noodzakelijk is voor het onderzoek. Het afleggen van een verklaring is in de meeste gevallen het eerste onderzoeksbelang. Als een verdachte geen verklaring aflegt, kan dit ertoe leiden dat het onderzoeksbelang voortduurt, omdat de politie dan de zaak door andere middelen dan de verklaring van de verdachte moet onderzoeken. Ervaring leert dat de politie regelmatig aan de verdachte aangeeft dat hij ‘sneller naar huis kan’ als hij een verklaring afgeeft. Een verklaring kan er echter toe leiden dat de verdachte zichzelf belast en wellicht het onderzoek sneller is afgerond, maar deze verklaring tot een veroordelend vonnis leidt. Laat u dus niet verleiden door dit soort uitspraken en spreek eerst met uw advocaat. 

Verlenging zes uurs termijn

Op veel feiten is geen voorlopige hechtenis en dus ook geen inverzekeringstelling toegelaten. Het noodzakelijke onderzoek moet dan binnen de zes uren van ophouden voor onderzoek worden uitgevoerd. Wanneer de identiteit van de verdachte niet bekend is, of er zijn gegronde redenen om te twijfelen aan de identiteit van de verdachte, kan de termijn van ophouden voor onderzoek met nogmaals zes uren worden verlengd.

De (Hulp)Officier van Justitie maakt dan een bevel tot verlenging van ophouden voor onderzoek op. Dit bevel tot verlenging van ophouden voor onderzoek wordt aan de verdachte uitgereikt. Wanneer de verdachte geen of onvoldoende Nederlands spreekt, wordt de inhoud van het bevel tot verlenging van ophouden voor onderzoek hem mondeling uitgelegd. 

Nachtelijke uren

De uren tussen twaalf uur ’s nachts en negen uur ’s ochtends tellen niet mee voor de termijn. Deze uren zijn voor de nachtrust bestemd. Van een verhoor tijdens de nachtelijk uren kan normaalgesproken niet worden gesteld dat dit een in alle vrijheid afgelegde verklaring is geweest, zoals bepaald in artikel 29 Sv

Mededelingen over de strafzaak

Vaak beslist de Officier van Justitie de verdachte direct te dagvaarden, of hem een strafbeschikking uit te reiken. In deze gevallen is het onderzoek meestal zo ver gevorderd, dat het ophouden voor onderzoek niet meer noodzakelijk is. De verdachte mag dan nog wel worden vastgehouden, totdat de beschikking of dagvaarding is opgemaakt en zo direct aan hem uitgereikt kan worden.

Wanneer het ophouden voor onderzoek alleen nog maar noodzakelijk is voor het uitreiken van mededelingen over strafzaak, blijft de termijn binnen de nachtelijke uren conform artikel 61 Sv, lid 9 gewoon doorlopen. Zo kan een verdachte die is gehoord voor twaalf uur ’s avonds, niet een hele nacht worden vastgehouden om enkel een dagvaarding uit te reiken. De termijn van ophouden voor onderzoek blijft immers gewoon doorlopen. 

In kennis stellen van insluiting

Op grond van artikel 27 Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren (Ai) stelt de opsporingsambtenaar een familielid of huisgenoot van de verdachte op de hoogte van diens insluiting en ophouden voor onderzoek. Bij minderjarigen doet de ambtenaar dit uit eigen beweging, bij een meerderjarige op diens verzoek. Bij buitenlandse verdachten wordt kan in plaats van de familie of huisgenoot de betreffende ambassade op de hoogte worden gebracht van het ophouden voor onderzoek. In geval van een minderjarige wordt tevens de Raad voor de Kinderbescherming in kennis gesteld van de insluiting.