Inkomensafhankelijke combinatiekorting bij co-ouderschap

Co-ouderschap en de inkomensafhankelijke combinatiekorting (iack)

Twee uitspraken van de Hoge Raad

De wettelijke regeling

Artikel 8.14a, lid 1, aanhef en letter b, Wet IB 2001 bepaalt dat de iack geldt voor een belastingplichtige indien in het kalenderjaar gedurende ten minste zes maanden een kind dat bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 12 jaar niet heeft bereikt op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige staat ingeschreven in de basisregistratie personen. De iack is bedoeld voor ouders die arbeid en zorg voor kinderen combineren.

Artikel 8.14a, lid 1, Wet IB 2001 bepaalt verder dat bij ministeriële regeling wordt bepaald in welke gevallen een kind dat niet op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige staat ingeschreven in de basisregistratie personen, voor de toepassing van het eerste lid, letter b, geacht wordt ook op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige te staan ingeschreven in de basisregistratie personen.

In de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 8.14 Wet IB 2001 valt te lezen: “Een en ander heeft tot consequentie dat in geval van co-ouderschap waarbij beide ouders niet samenwonen maar de zorg voor de kinderen gelijkelijk verdelen toch door beide ouders de combinatiekorting kan worden genoten.”

Uit deze passage kan worden afgeleid dat de wetgever beoogde dat de combinatiekorting (nadien de iack) kan worden genoten door beide ouders als zij de zorg voor de kinderen gelijkelijk verdelen.

Aan het criterium dat beide ouders de zorg voor de kinderen gelijkelijk verdelen is doorgaans voldaan als een kind van niet samenwonende ouders behoort tot het huishouden van één van de ouders, en het kind doorgaans ten minste 3 tot 3,5 dag per week verblijft in het huishouden van de andere ouder.

Uitspraak Hoge Raad 13-03-2020

In de uitspraak oordeelde de Hoge Raad dat wanneer niet gezegd kan worden dat wanneer niet gezegd kan worden dat het kind behoort tot het huishouden van de belastingplichtige dit niet eraan in de weg staat dat de iack ook kan worden genoten door beide ouders als zij de zorg voor de kinderen gelijkelijk verdelen in een ander duurzaam ritme dan 3-3,5 dag per week.

De hiervoor in vermelde omgangsregeling voldoet aan de eis dat beide ouders de zorg voor de kinderen gelijkelijk verdelen. In het geval waarin de uitspraak werd gedaan was er een tweewekelijks schema waarin de zorg wel gelijk was verdeeld, maar niet per week 3-3,5 dag bedroeg. De omgangsregeling voorzag in een tweewekelijks schema, waarin de dochter, bezien vanaf een maandag in de eerste week, eerst twee dagen bij belanghebbende verbleef, dan twee dagen bij de moeder, vervolgens vier dagen bij belanghebbende en daarna zes dagen bij de moeder.

Deze uitspraak betekende dan ook een verruiming van de fiscale regeling.

Onlangs is er door de Hoge Raad wederom uitspraak gedaan over de iack in geval van co-ouderschap.

Uitspraak Hoge Raad 29-01-2021

Bij haar aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2015 heeft belanghebbende verzocht om toekenning van de inkomensafhankelijke combinatiekorting (hierna: iack). In een door belanghebbende overgelegd tweewekelijks verblijfschema staan de tijdstippen waarop het kind bij belanghebbende verblijft: in de eerste week op woensdag vanaf 07:30 uur tot en met donderdag 19:30 uur en op zaterdag vanaf 09:00 uur tot en met maandag 09:00 uur, en in de tweede week op woensdag vanaf 07:30 uur tot en met donderdag 19:30 uur.

Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende op grond van artikel 8.14a, lid 1, Wet IB 2001 en artikel 44b van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Uitvoeringsregeling) aanspraak heeft op de iack omdat de dochter doorgaans ten minste ‘drie gehele dagen’ per week in elk van de huishoudens van belanghebbende en de ex-partner verblijft. Volgens het Hof moet de term ‘gehele dagen’ worden uitgelegd overeenkomstig het spraakgebruik en kan ook een verblijf alleen overdag, korter dan 24 uur, een gehele dag zijn.

De Hoge Raad oordeelt echter dat in de regeling (art. 44b Uitvoeringsregeling) is opgenomen dat indien een kind doorgaans ten minste drie gehele dagen (3 x 24 uur) in de week bij de belastingplichtige verblijft en de overige dagen van de week doorgaans bij de andere ouder, het kind tegelijkertijd tot het huishouden van beide, niet samenwonende, co-ouders behoort”.

Gelet hierop dient bij de toepassing van het criterium ‘drie gehele dagen’ in artikel 44b van de Uitvoeringsregeling, als uitgangspunt te worden genomen ‘3 x 24 uur’. Het oordeel van het Hof dat met weergegeven verblijfschema aan dat criterium is voldaan, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.

Uit bovengenoemde uitspraken van de Hoge Raad volgt dat een kind niet per se tot het huishouden van de andere ouder behoeft te horen om aanspraak te maken op de iack, maar dat er wel sprake moet zijn van een zorgregeling van gemiddeld 3-3,5 dag per week en dat een dag dan ook 24 uur moet zijn.

In geval van co-ouderschap is het dan ook van belang goed naar de overeengekomen zorgregeling te kijken om te bezien of er wel of niet een aanspraak op iack bestaat.

Terug naar boven