Kan een vrouw haar bruidsgave verliezen omdat zij zelf de echtscheiding aanvraagt? Die vraag over de bruidsgave bij echtscheiding staat centraal in een recente conclusie van de advocaat-generaal bij de Hoge Raad.
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch oordeelde dat de vrouw haar aanspraak op de bruidsgave had verloren omdat zij zelf het echtscheidingsverzoek had ingediend. Volgens het hof moest haar Nederlandse echtscheiding voor de toepassing van het Egyptische recht worden behandeld als een khul: een vorm van echtscheiding waarbij een vrouw zonder medewerking van haar man kan scheiden, maar daarvoor haar huwelijksgerelateerde financiële rechten moet prijsgeven.
Dat oordeel roept fundamentele vragen op. Nederland kent maar één wettelijke echtscheidingsgrond: duurzame ontwrichting van het huwelijk. Een vrouw die in Nederland op die grond echtscheiding verzoekt, vraagt geen Egyptische khul aan en verklaart evenmin dat zij afstand doet van haar financiële rechten. Bovendien is de bruidsgave volgens het hof zelf al bij de huwelijkssluiting ontstaan. Alleen de betaling was uitgesteld tot de echtscheiding. Waarom zou die bestaande vordering dan verdwijnen zodra de vrouw zelf besluit het huwelijk te beëindigen?
De afspraken over de bruidsgave
Partijen trouwden in Egypte en maakten bij hun huwelijk aanvullende afspraken. Volgens de Nederlandse vertaling had de vrouw bij echtscheiding of scheiding van tafel en bed recht op onder meer 400 gram 21-karaats goud en een uitgesteld bedrag van 150.000 Egyptische pond.
In de overeenkomst stond niet dat de vrouw dit recht alleen behield wanneer de man de scheiding zou initiëren. Ook stond er niet dat zij haar aanspraak verloor wanneer zij zelf in Nederland om echtscheiding zou vragen.
De vrouw verzocht in Nederland om echtscheiding. De Nederlandse rechter sprak de echtscheiding uit wegens duurzame ontwrichting. Daarna vorderde zij nakoming van de overeenkomst over de bruidsgave.
De kantonrechter wees haar vordering toe. Hoewel Egyptisch recht op de overeenkomst van toepassing was, vond de kantonrechter dat geen rechtsgevolg kon worden gegeven aan een regel waardoor de vrouw haar bruidsgave verloor omdat zij zelf de echtscheiding had gevraagd. Een andere uitkomst zou volgens de kantonrechter botsen met het in Nederland fundamenteel geachte recht van echtgenoten om van elkaar te kunnen scheiden.
Het gerechtshof dacht daar anders over.
Van Nederlandse echtscheiding naar Egyptische khul
Het Egyptische recht kent verschillende mogelijkheden voor een vrouw om een huwelijk te beëindigen. Wanneer zij een aan de man toe te rekenen wettelijke of contractuele scheidingsgrond kan aantonen, kan zij scheiden met behoud van haar financiële rechten. Kan of wil zij zo’n grond niet bewijzen, dan kan zij een khul verzoeken. Voor deze vorm van echtscheiding is de instemming van de man niet nodig, maar de vrouw moet haar huwelijksgerelateerde financiële rechten opgeven en de reeds ontvangen bruidsgave teruggeven.
De man kan het huwelijk op zijn initiatief beëindigen zonder dat hij eerst een tekortkoming van de vrouw hoeft te bewijzen. In dat geval blijft hij de uitgestelde bruidsgave verschuldigd.
Het hof stelde vast dat niet was gebleken dat de Nederlandse echtscheiding was verzocht wegens schade die de man had veroorzaakt of wegens een contractueel overeengekomen scheidingsgrond. Omdat de vrouw zelf het verzoek had ingediend, kwalificeerde het hof de echtscheiding voor de toepassing van het Egyptische recht als khul. Daarom kon zij volgens het hof geen nakoming van de bruidsgave meer verlangen.
Dat is een grote juridische stap. De vrouw heeft in Nederland geen khul gevraagd. Zij heeft geen verklaring afgelegd dat zij afstand deed van haar financiële rechten en zij heeft niet aangeboden een reeds ontvangen deel van de bruidsgave terug te geven. Zij heeft gebruikgemaakt van de enige echtscheidingsgrond die het Nederlandse recht kent: duurzame ontwrichting.
Een Nederlandse echtscheiding wegens duurzame ontwrichting is daarmee nog geen Egyptische khul. Het enkele feit dat de vrouw het verzoek heeft ingediend, zegt niets over de vraag welke van beide echtgenoten verantwoordelijk was voor het uiteengaan. Binnen het Nederlandse echtscheidingsrecht hoeft die verantwoordelijkheid ook niet te worden vastgesteld. Het Nederlandse recht heeft de schuldechtscheiding juist verlaten.
Een bestaande maar nog niet opeisbare vordering
Ook de juridische aard van de bruidsgave verdient aandacht. Het hof overwoog zelf dat de bruidsgave een gevolg is van de geldige huwelijkssluiting. De vordering van de vrouw was volgens het hof al bij het aangaan van het huwelijk ontstaan. Uitgesteld was uitsluitend het moment waarop zij nakoming kon verlangen: na ontbinding van het huwelijk.
Dat wijst op een bestaande, maar tijdens het huwelijk nog niet opeisbare vordering. De echtscheiding is dan het opeisbaarheidsmoment en niet de voorwaarde waaronder het recht voor het eerst ontstaat.
Toepassing van de khul-regel leidt vervolgens tot het verval van die bestaande aanspraak omdat de vrouw zelf de scheiding heeft aangevraagd. Juridisch is dat iets anders dan de nakoming van een vordering afhankelijk stellen van een neutrale toekomstige gebeurtenis. Het recht gaat verloren door de uitoefening van de persoonlijke autonomie van de vrouw.
Ook wanneer de bruidsgave wél zou worden uitgelegd als een voorwaardelijke aanspraak, blijft hetzelfde probleem bestaan. De impliciete voorwaarde zou dan luiden dat de vrouw haar financiële recht alleen behoudt wanneer zij niet zelf de scheiding vraagt, tenzij zij eerst een aan de man toe te rekenen grond stelt en bewijst. Ook zo’n voorwaarde kan de toegang tot de rechter en de vrijheid om een huwelijk te beëindigen daadwerkelijk beperken.
Geen spiegelbeeldige positie
Het hof vond van belang dat beide echtgenoten negatieve financiële gevolgen kunnen ondervinden van het initiatief tot echtscheiding. Als de vrouw de scheiding vraagt, verliest zij de bruidsgave. Als de man de scheiding initieert, moet hij de bruidsgave betalen.
Dat lijkt op het eerste gezicht spiegelbeeldig, maar is het niet.
Wanneer de man de bruidsgave betaalt, verliest hij geen bestaand vermogensrecht. Hij voldoet een schuld die al bij de huwelijkssluiting is ontstaan. De vrouw verliest daarentegen juist een bij de huwelijkssluiting verkregen vordering.
Daar komt bij dat de man voor een door hem gewenste scheiding geen tekortkoming van de vrouw hoeft te bewijzen. De vrouw kan haar financiële rechten alleen behouden wanneer zij haar verzoek kan baseren op een erkende grond aan de zijde van de man. Zonder dat bewijs moet zij betalen voor haar vrijheid door haar vermogensrechten op te geven.
De feitelijke vergelijking is daarom niet:
- de man betaalt als hij wil scheiden;
- de vrouw krijgt niet betaald als zij wil scheiden.
De zuiverder vergelijking is:
- de man kan de scheiding initiëren en moet vervolgens zijn bestaande schuld voldoen;
- de vrouw kan de scheiding initiëren, maar verliest daardoor haar bestaande vordering, tenzij zij voldoende verwijtbaar gedrag van de man kan aantonen.
Dat is geen gelijke positie.
Kan de Nederlandse huwelijksgemeenschap het verschil rechtvaardigen?
Het hof zag een mogelijke rechtvaardiging in het feit dat op het huwelijksvermogensregime Nederlands recht was toegepast. De vrouw deelde daardoor mee in de ontbonden gemeenschap van goederen. Volgens het hof kreeg zij daarmee een aanspraak die zij naar Egyptisch recht niet zou hebben gehad. Waarom zou, aldus het hof, het verlies van haar bruidsgave dan niet kunnen worden geduld?
Ook die redenering overtuigt niet zonder meer.
De verdeling van de huwelijksgemeenschap en de nakoming van de bruidsgave zijn verschillende rechtsverhoudingen. De vrouw krijgt bij de verdeling niet eenvoudigweg “een deel van het vermogen van de man”. Beide echtgenoten zijn ieder voor de helft gerechtigd tot het saldo van de gemeenschap. Dat kan ook betekenen dat de man deelt in door de vrouw ingebracht of tijdens het huwelijk door haar opgebouwd vermogen.
Bovendien heeft het hof niet vastgesteld welk concreet financieel voordeel de vrouw uit de gemeenschap ontving, hoe groot de bruidsgave was en of het ene het andere daadwerkelijk compenseerde. Zonder die vergelijking kan niet worden geconcludeerd dat het Nederlandse huwelijksvermogensrecht de ongelijke behandeling bij de echtscheiding neutraliseert.
Belangrijk is daarnaast dat de advocaat-generaal inmiddels heeft opgemerkt dat het hof de vordering ten overvloede en ten onrechte ook naar Nederlands huwelijksvermogensrecht heeft beoordeeld. In hoger beroep stond namelijk vast dat Egyptisch recht op de overeenkomst van toepassing was. De Nederlandse gemeenschap vormt daarom geen zelfstandige grond voor afwijzing van de bruidsgave.
De Nederlandse openbare orde
Artikel 10:6 BW bepaalt dat buitenlands recht niet wordt toegepast voor zover toepassing daarvan kennelijk onverenigbaar is met de Nederlandse openbare orde. Het gaat daarbij niet alleen om de buitenlandse regel in abstracte zin. Beslissend is ook het concrete resultaat in de voorliggende zaak en de mate waarin de zaak met Nederland is verbonden.
De Hoge Raad heeft eerder geoordeeld dat een bepaling die een vermogensrechtelijke aanspraak afhankelijk maakt van de vraag welke echtgenoot de echtscheiding heeft aangevraagd, strijdig kan zijn met de openbare orde. Zo’n bepaling maakt onderscheid tussen echtgenoten en kan de toegang tot de rechter beperken. Of de grens daadwerkelijk wordt overschreden, hangt mede af van de concrete omstandigheden en de verbondenheid met Nederland.
In deze zaak had de vrouw zowel de Nederlandse als de Egyptische nationaliteit. Partijen woonden in Nederland, de echtscheiding vond in Nederland plaats en op het huwelijksvermogensregime werd Nederlands recht toegepast. Dat zijn sterke aanknopingspunten met de Nederlandse rechtsorde.
De advocaat-generaal vindt dat het hof deze verbondenheid ten onrechte niet in zijn beoordeling heeft betrokken. Het hof had partijen bovendien eerst in de gelegenheid moeten stellen zich hierover uit te laten. De conclusie strekt daarom tot vernietiging en verwijzing. De Hoge Raad heeft op het moment van schrijven nog geen arrest gewezen.
De advocaat-generaal zegt daarmee nog niet dat de Egyptische khul-regel per definitie buiten toepassing moet blijven. Na verwijzing zal de rechter de openbare-ordetoets opnieuw en concreter moeten uitvoeren. Daarbij kan naar mijn mening niet worden volstaan met de constatering dat de vrouw ook een aandeel in de Nederlandse huwelijksgemeenschap heeft ontvangen.
Gelijke rechten bij de ontbinding van het huwelijk
De kwestie raakt niet alleen artikel 10:6 BW. Artikel 5 van het Zevende Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens bepaalt dat echtgenoten gelijke privaatrechtelijke rechten en verantwoordelijkheden hebben bij het aangaan van het huwelijk, tijdens het huwelijk en bij de ontbinding daarvan.
Daarnaast verbiedt artikel 14 EVRM discriminatie bij de uitoefening van de door het Verdrag beschermde rechten. Artikel 8 EVRM beschermt het privé- en familieleven en de persoonlijke autonomie. Een voldoende vaststaande vermogensrechtelijke aanspraak kan bovendien onder de bescherming van artikel 1 van het Eerste Protocol vallen.
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft nog niet over deze precieze combinatie van khul en bruidsgave geoordeeld. De bestaande rechtspraak wijst echter wel in een duidelijke richting.
In Molla Sali tegen Griekenland paste de Griekse rechter islamitisch erfrecht toe, waardoor een islamitische weduwe een groot deel verloor van de nalatenschap die haar echtgenoot haar bij testament had nagelaten. Het EHRM oordeelde dat sprake was van discriminatie in samenhang met haar eigendomsrecht. Religieus recht mocht niet tegen haar wil leiden tot verlies van haar burgerlijke en vermogensrechtelijke aanspraken.
In Nurcan Bayraktar tegen Turkije ging het om een regel die uitsluitend gescheiden vrouwen verplichtte 300 dagen te wachten voordat zij opnieuw konden trouwen, tenzij zij medisch bewezen niet zwanger te zijn. Het EHRM oordeelde dat deze seksespecifieke beperking niet objectief en redelijk gerechtvaardigd was.
In H.W. tegen Frankrijk werd een vrouw als enige schuldig aan de echtscheiding verklaard omdat zij niet langer seksuele gemeenschap met haar man wilde. Het EHRM oordeelde dat een dergelijke huwelijksplicht botste met de seksuele vrijheid en lichamelijke autonomie van de vrouw.
Deze zaken zijn niet identiek aan de Nederlandse bruidsgavezaak. Zij bevestigen wel dat traditie, religieuze achtergrond of de interne systematiek van een familierechtelijk stelsel niet zonder meer rechtvaardigen dat een vrouw bij of na echtscheiding in haar autonomie of vermogensrechten wordt beperkt.
Heeft de vrouw werkelijk voor dit rechtsgevolg gekozen?
Tegen toepassing van de openbare-orde-exceptie kan worden aangevoerd dat partijen zelf in Egypte zijn getrouwd en hun bruidsgave binnen het Egyptische recht hebben afgesproken. Wie voor een buitenlands rechtsstelsel kiest, kan niet alleen de gunstige onderdelen daarvan aanvaarden en de ongunstige gevolgen afwijzen.
Maar dat argument gaat slechts op wanneer werkelijk sprake is geweest van een vrije en geïnformeerde keuze voor het specifieke rechtsgevolg.
In de aanvullende overeenkomst stond dat de vrouw bij echtscheiding recht had op de bruidsgave. Daarin stond niet dat zij haar aanspraak verloor zodra zij zelf een Nederlands echtscheidingsverzoek zou indienen. Evenmin staat vast dat zij bij de huwelijkssluiting bewust heeft ingestemd met een regeling waarbij haar toegang tot een echtscheiding zonder financieel verlies afhankelijk werd van het bewijs van schuld van haar man.
De vraag is dus niet of Nederland elk buitenlands familierecht naast zich neer mag leggen. De vraag is of de Nederlandse rechter rechtsgevolg mag geven aan een seksespecifieke buitenlandse verliesregel die niet uitdrukkelijk is overeengekomen, terwijl het huwelijk en de echtscheiding inmiddels nauw met Nederland zijn verbonden.
Tot slot
De kern van deze zaak is niet dat een echtscheiding soms financiële gevolgen heeft. Dat is vrijwel altijd zo. De kern is dat een vrouw een reeds bij de huwelijkssluiting verkregen vermogensrecht verliest omdat zij zelf gebruikmaakt van haar mogelijkheid het huwelijk te beëindigen.
De man wordt niet op vergelijkbare wijze in een bestaand vermogensrecht getroffen. Hij moet bij een door hem geïnitieerde scheiding slechts de schuld voldoen die hij bij de huwelijkssluiting op zich heeft genomen. De vrouw moet voor behoud van haar aanspraak een aan de man toe te rekenen scheidingsgrond bewijzen. Anders betaalt zij voor haar vrijheid met het verlies van haar financiële rechten.
Dat is geen spiegelbeeldige situatie. Het is een fundamenteel ongelijke uitgangspositie. Juist daarom moet indringend worden onderzocht of toepassing van de Egyptische khul-regel in een Nederlandse echtscheidingscontext verenigbaar is met de Nederlandse openbare orde en met het Europese uitgangspunt dat mannen en vrouwen bij de ontbinding van hun huwelijk gelijke rechten hebben.
Geraadpleegde rechtspraak en bronnen
- Conclusie A-G 18 september 2026, ECLI:NL:PHR:2026:850.
- Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 24 juni 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:1759.
- Rechtbank Limburg 15 november 2023, ECLI:NL:RBLIM:2023:6697.
- Hoge Raad 17 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1278.
- Hoge Raad 17 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1293.
- Hoge Raad 19 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1721.
- EHRM 19 december 2018, nr. 20452/14, Molla Sali tegen Griekenland.
- EHRM 27 juni 2023, nr. 27094/20, Nurcan Bayraktar tegen Turkije.
- EHRM 23 januari 2025, nr. 13805/21, H.W. tegen Frankrijk.
- Artikel 1:151 BW, artikel 10:6 BW, artikel 14 EVRM, artikel 1 Eerste Protocol EVRM en artikel 5 Zevende Protocol EVRM.
Deze blog beschrijft de stand van zaken op 25 september 2026. De Hoge Raad heeft in de Egyptische bruidsgavezaak op dat moment nog geen arrest gewezen.
